De matkop (Poecile montanus)  is maar klein, ongeveer het formaat van een pimpelmees. Hij lijkt zeer veel op de glanskop.

Het verenkleed is aan de onderzijde lichtbruin en aan de bovenzijde en op de kop iets donkerder. 

Matkoppen broeden in vochtige bossen.

Het zijn holenbroeders, ze nestelen in verrot en zacht hout waarin ze zelf een hol uithakken.

In het voorjaar en vroege zomer bestaat het voedsel vooral uit insecten, insectenlarven, spinnenen en andere kleine diertjes.

Vanaf de late nazomer staan er ook zaden op het menu. 

Het nest bevindt zich in vermolmde boomstammen of nestkastjes. Het legsel bestaat uit zes tot negen witte eieren met bruine vlekjes, die in 13 dagen worden uitgebroed door het vrouwtje.

Het mannetje helpt mee om de jongen te verzorgen. Er wordt slechts eenmaal per jaar gebroed.

matkop